Ambtshalve vermindering inkomstenbelasting: Wat is nieuwe jurisprudentie?
De Hoge Raad heeft op 26 april 2024 een nadere invulling gegeven over ‘Wat onder nieuwe jurisprudentie’ moet worden verstaan? Zie (HR 26 april 2024, nr. 23/00945, ECLI:NL:HR:2024:667).
Strikte toepassing
Een verzoek om ambtshalve vermindering inkomstenbelasting wordt afgewezen als het verzoek wordt gedaan naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie (art. 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001).
Deze voorwaarde werd door de Hoge Raad vrij strikt toegepast. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad over box 3 van 20 mei 2022, nr. 21/04407, ECLI:NL:HR:2022:720. In dat arrest beslist de Hoge Raad dat het arrest van 24 december 2021 nieuwe jurisprudentie vormt. Een verzoek om ambtshalve vermindering die is ingediend nadat het arrest is gewezen, moet volgens de Hoge Raad worden afgewezen. Een inhoudelijke toetsing vindt verder niet plaats.
Inhoudelijke toetsing
In zijn arrest van 26 april jl. beslist de Hoge Raad dat niet ieder arrest dat na onherroepelijk worden van de aanslag wordt gewezen ‘nieuwe jurisprudentie’ vormt.
Er moet een inhoudelijke toetst plaatsvinden. Volgens de Hoge Raad kan de inspecteur een verzoek om ambtshalve vermindering niet afwijzen, als hij bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan van een rechtsopvatting waarvan hij redelijkerwijs niet mocht menen dat die juist wat. In dat geval kan volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit nieuwe jurisprudentie.
Of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was, moet volgens de Hoge Raad worden beoordeeld naar de stand van het recht op het moment waarop de belastingaanslag onherroepelijk is geworden.
In de praktijk
Hoe moet dat in de praktijk worden beoordeeld? Dat legt de Hoge Raad helaas niet uit. In de voorliggende zaak beslist de Hoge Raad dat de nieuwe rechtsregel niet van toepassing is. Waarom die regel niet toepassing is, maakt de Hoge Raad niet duidelijk.
Uit de formulering ‘of de inspecteur in redelijkheid mocht menen dat zijn standpunt juist was’ kan wellicht worden opgemaakt dat de Hoge Raad aansluiting zoekt bij het pleitbaar standpunt. Met andere woorden als de inspecteur bij het opleggen van de belastingaanslag een fout maar pleitbaar standpunt heeft ingenomen, blijft de belastingaanslag in stand als daarna rechtspraak wordt gewezen waaruit volgt dat dit standpunt onjuist is.
In dat geval is er sprake van een objectieve toets.
Hoe kun je hiermee in de praktijk omgaan? Als je naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie een verzoek om ambtshalve vermindering wilt indienen, kun je het eerder door het ingenomen standpunt van de inspecteur beoordelen op de pleitbaarheid.
Wanneer is een standpunt pleitbaar? Een dooddoener, maar dat is uiteindelijk aan de Hoge Raad. Indicatoren kunnen zijn artikelen in vaktijdschriften, een conclusie van een Advocaat-Generaal, rechtspraak van feitenrechters. Overigens is het voor het vaststellen voor de pleitbaarheid niet nodig dat ook anderen meenden dat het standpunt juist was. Echt concrete handvatten zijn dus moeilijk te geven.
Voer voor discussie dus. Ik vrees dat in veel gevallen de gang naar de rechter zal moeten worden gemaakt. De inspecteur zal zijn standpunt over het algemeen wel pleitbaar vinden. Misschien dat een meer objectieve toets kan worden gedaan door de kennisgroep?