Kun je woonplaatsonderzoeken sturen?
Op 7 april jl. heeft de staatssecretaris van Financiën een evaluatie van woonplaatsonderzoeken door de Belastingdienst naar de Tweede Kamer gestuurd.
Conclusie evaluatie
De conclusie is – kort en bout- dat de Belastingdienst op zich genoeg mogelijkheden heeft om een woonplaats te onderzoeken, maar dat het lastig is als betrokkene niet meewerkt. Dat laatste geldt denk ik voor ieder onderzoek waarin de belastingplichtige niet meewerkt.
Wat kan de Belastingdienst in dat geval doen? De Belastingdienst kan proberen om via civielrechtelijke weg de gevraagde informatie af te dwingen of de inspecteur kan een informatiebeschikking nemen. Nadeel van dat laatste is dat een procedure hierover vaak lang duurt. Er is inmiddels een pre-consultatie gestart over het wegnemen van de knelpunten die bij het nemen van een informatiebeschikking worden ervaren. Daarover een andere keer meer. Terug naar de woonplaatsonderzoeken.
Instructie woonplaatsonderzoeken
Bij de kamerbrief is naast een evaluatie ook een ‘instructie woonplaatsonderzoeken’ van 27 augustus 2024 gevoegd. Met ingang van 1 januari 2025 moet deze instructie een uniforme aanpak door de Belastingdienst waarborgen. Wat staat er in deze instructie.
Waar en bij wie kan de Belastingdienst informatie opvragen?
Informatie opvragen bij belanghebbende
Tijdens een woonplaatsonderzoek mogen vragen worden gesteld aan de belanghebbende op grond van art. 47 AWR. Hierbij moetrekening worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals zorgvuldigheid, motivering, proportionaliteit en subsidiariteit. Bijzondere persoonsgegevens zoals gezondheidsgegevens, etniciteit, politieke voorkeur of seksuele geaardheid mogen niet worden opgevraagd.
Medische gegevens zijn bijzondere persoonsgegevens en mogen in principe niet worden verwerkt. Alleen neutrale gegevens zoals het hebben van een huisarts of verzekering kunnen onder voorwaarden worden meegenomen.
Informatie opvragen bij derden
Het is toegestaan om informatie op te vragen bij derden (art. 53 en 55 AWR), maar belanghebbende moet eerst zelf de kans krijgen om informatie te leveren.
Informatie opvragen bij buitenlandse autoriteiten
Informatie opvragen in het buitenland loopt via het Central Liaison Office (CLO). Hiervoor moet eerst geprobeerd zijn om alle informatie binnen Nederland te verkrijgen (het uitputtingsbeginsel).
Uitvoering woonplaatsonderzoek
Een woonplaatsonderzoek start alleen als er aanwijzingen zijn dat iemand mogelijk een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland heeft. Het moet meer dan een theoretische mogelijkheid zijn.
Tijdens het onderzoek moet steeds worden afgewogen of het opvragen van informatie noodzakelijk is (proportionaliteit) en of dit op een minder belastende manier kan (subsidiariteit).
Initiële verkenning
Voordat vragen worden gesteld aan de betrokkene, wordt eerst beschikbare informatie verzameld uit systemen en eventueel publieke bronnen (KvK, Kadaster etc). Hierbij wordt gekeken naar woonruimte, sociale en economische bindingen, feitelijk verblijf, nationaliteit en relevante verdragen.
Evaluatie
Vervolgens wordt beoordeeld of er sprake is van een mogelijke duurzame persoonlijke band met Nederland. Deze afweging en alle betrokken personen worden vastgelegd in het systeem. Zonder toestemming van de teamleider gaat het onderzoek niet verder.
Introductiefase
Als er voldoende aanleiding is, ontvangt de betrokkene een introductiebrief met uitleg over het voorgenomen onderzoek. Op basis van een eventuele reactie wordt besloten om het onderzoek voort te zetten, af te ronden of aanvullende informatie op te vragen.
Nader onderzoek
Bij voortzetting wordt een vragenbrief gestuurd en een woonplaatsdossier aangelegd. De betrokkene wordt geïnformeerd over de aanleiding. Soms wordt eerst een derdenonderzoek gedaan; dit vereist extra toestemming. De ontvangen informatie wordt beoordeeld, en afhankelijk van de uitkomst wordt het onderzoek afgerond of voortgezet.
Vastlegging
Alle stappen, correspondentie, evaluaties, en interne afstemming worden vastgelegd in het systeem. Dit geldt ook voor vervolgstappen.
In de praktijk
Mijn ervaring met woonplaatsonderzoeken is dat de proportionaliteit en subsidiariteit nog weleens tot discussie kan leiden, want wanneer is het genoeg?
Volgens de instructie (Par. 3.5.2. Evaluatie vragenbrief, p.11) kan het onderzoek worden gestopt als een standpunt over de woonplaats kan worden ingenomen.
Dat gebeurt dus niet altijd. Ik was bij een woonplaatsonderzoek betrokken waarbij de inspecteur bezig was om een zeer gedetailleerd overzicht te krijgen, bijna van dag tot dag, van waar client de afgelopen 10 jaar verbleef. Dat is natuurlijk geen doen en totaal onnodig ook.
Maar je hebt juridisch gezien weinig in handen om dat te stoppen. Ik heb hem gewezen op de proportionaliteit en de subsidiariteit, maar de inspecteur vond dat hij te weinig had om een standpunt in te nemen.
Dat verbaasde mij serieus, want ik had zijn standpunt zo kunnen opschrijven met onderbouwing en al. Aan de belastingrechter heb je dan helaas ook niet zoveel want die geeft de Belastingdienst ontzettend veel ruimte op dit punt.
Als je over een verzoek om informatie wilt procederen, dan betekent dat in verreweg de meeste gevallen (99%) dat je uiteindelijk, 6 jaar later, alsnog de gevraagde informatie moet verstrekken.
Dat is geen serieuze optie als je client graag wilt dat het onderzoek klaar is. Cliënt was er niet blij mee en heeft vervolgens een andere fiscaal advocaat geraadpleegd om te kijken of procederen niet toch een optie was. Dat is natuurlijk helemaal prima. Het was niet de strategie waar ik achter stond.
Hij koos toch niet voor de procedure en toen zijn we gaan kijken naar de vraag: “Waarom de inspecteur maar niet tot een einde kwam?”. Waarom kon hij geen punt achter het onderzoek zetten?
Wat bleek, hij dacht dat er meer moest zijn. Hij dacht dat hij misschien met een kwaadwillende belastingplichtige te maken had die dingen achterhield. De oplossing daarvoor was zo simpel dat je er bijna niet op zou komen. We hebben de inspecteur uitgenodigd voor een gesprek met client zelf. De inspecteur kon op die manier zelf beoordelen met wie hij te maken had en dat was de sleutel. Het onderzoek werd afgerond en we hebben een compromis gesloten.
Heb je met de instructie in handen meer kans bij de belastingrechter? Misschien. Een antwoord waar je niet zoveel aan hebt, maar of de inspecteur genoeg heeft om en standpunt in te nemen, vergt een feitelijke afweging en de belastingrechter kan daar anders tegenaan kijken dan jij.