Wanneer heeft belastingplichtige een procesbelang?
Een belastingplichtige heeft niet altijd een belang bij een procedure. Wanneer heeft hij een belang? Vorige week heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het procesbelang van een huurder in een WOZ-procedure (HR 8 maart 2024, nr. 19/03552, ECLI:NL:HR:2024:238).
Uitgangspunten procesbelang
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2014, nr. 13/01903, ECLI:NL:HR:2014:878, een algemene rechtsregel over het procesbelang geformuleerd. Volgens de Hoge Raad moet een bezwaar, beroep of hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van het rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als het aanwenden van een rechtsmiddel, ongeacht de gronden waar het op steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en de eventuele bijkomende beslissingen zoals die met betrekking tot de proceskosten en griffierecht.
Als het rechtsmiddel hem wel in een betere positie kan brengen en ook aan de overige ontvankelijkheidsvereisten is voldaan, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht. De door belastingplichtige naar voren gebrachte gronden moeten dan worden onderzocht.
Arrest Hoge Raad 8 maart 2024
De betrokkene in deze zaak is huurder van een appartement en had als gebruiker daarvan een WOZ-beschikking ontvangen en is hiertegen in bezwaar, (hoger) beroep en in cassatie gekomen.
Belang bij een WOZ-beschikking?
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2020, 19/03552, ECLI:NL:HR:2020:467, - kort gezegd- beslist dat als een huurder een WOZ-beschikking ontvangt, hij ook een belang heeft. Een bezwaar of beroep kan in dat geval niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Niet alle huurders hebben echter belang bij de WOZ-waarde. Als de huurder geen belang heeft, kan de heffingsambtenaar volstaan met het versturen van een afschrift van de beschikking. Probleem is alleen dat de heffingsambtenaar niet precies weet welke huurders een belang hebben bij de beschikking en welke huurder niet. Dan moet de heffingsambtenaar over alle huurovereenkomsten beschikken en deze beoordelen. Dat is niet uitvoerbaar. Het komt dus voor dat een huurder een WOZ-beschikking krijgt terwijl hij daar geen belang bij heeft.
Hoge Raad komt terug op arrest 20 maart 2020
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 8 maart 2024 had de huurder geen enkel belang bij de WOZ-beschikking. Aangezien de procedure niet niet-ontvankelijk kon worden verklaard, hebben rechtbank en Hof de oplossing gezocht bij het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb). De Hoge Raad volgt dat oordeel niet, maar ziet in dat het eerdere arrest van 20 maart 2020 problemen geeft.
De Hoge Raad beslist dat als de gebruiker door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen, een daartegen aangewend rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft. Hierdoor kunnen onnodige procedures worden vermeden.
In de praktijk
Ik denk dat dit een goede beslissing is van de Hoge Raad. Helaas komen bij heffingen van lokale overheden zinloze procedures vaker voor dan je denkt. Dat is mede het gevolg van gemachtigden die procederen op basis van no-cure-no-pay. Een aantal van deze buro’s zijn bij het bijstaan van cliënten niet zozeer gericht op de belangen van cliënten, maar op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. Het terugdringen van dergelijke procedures vind ik wenselijk.
Ontvankelijkheid wordt 2x beoordeeld
Voordat een zaak inhoudelijk wordt behandeld, wordt de ontvankelijkheid 2x beoordeeld. De eerste beoordeling ziet op de formele vereisten. Het gaat dan om beantwoording van de vragen of het bezwaar of beroep op tijd is ingediend, of het bezwaar/beroep tijdig is gemotiveerd, of er op tijd een machtiging is overgelegd en in beroep geldt de aanvullende vraag of het griffierecht op tijd is betaald.
Als deze eerste ontvankelijkheidshobbel is genomen, wordt beoordeeld of belastingplichtige wel een belang heeft bij de procedure. In zijn arrest van 11 april 2014 heeft de Hoge Raad daarvoor uitgangspunten geformuleerd. Niet de concreet aangevoerde gronden moeten worden beoordeeld, maar of belastingplichtige in zijn algemeenheid door de procedure in een gunstigere positie kan komen te verkeren.
Voor de beoordeling daarvan is bijvoorbeeld niet van belang of de inspecteur in bezwaar volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van belastingplichtige (HR 10 maart 2017, nr. 16/03636, ECLI:NL:HR:2017:292). Ondanks dat kan belastingplichtige nog een belang hebben bij een beroepsprocedure. Belastingplichtige kan het bijvoorbeeld niet eens zijn met de nevenbeslissingen, zoals de proceskostenvergoeding, maar hij kan ook in beroep een ander onderdeel van de belastingaanslag bestrijden.
Mede door de ruime formulering van de Hoge Raad heeft belastingplichtige in verreweg de meeste procedures een belang en is dat ook evident. Dit arrest over het belang van een huurder bij een WOZ-beschikking zie ik als een uitzondering.