Wanneer verjaart een aansprakelijkstelling?

Deze vraag heeft het gerechtshof Amsterdam beantwoord in zijn uitspraak van 28 november 2023 (Gerechtshof Amsterdam, 28 november 2023, nrs. 23/00323 en 23/00324, ECLI:NL:GHAMS:2023:2936).

 Casus

 Belastingplichtige beroept zich na verwijzing door de Hoge Raad op verjaring van de belastingschuld. Volgens belastingplichtige had de ontvanger de verjaring voor 4 april 2023 moeten stuiten. De ontvanger heeft de stuitingsbrief pas op 1 mei 2023 verstuurd.

De ontvanger meent dat de schuld niet is verjaard. Hij wijst erop dat in verband met de lopende aansprakelijkstellingsprocedures uitstel van betaling is verleend.  Volgens de ontvanger is de lopende verjaringstermijn met de duur van het verleende uitstel verlengd.

 Achtergrond

 Een derde, bijvoorbeeld een bestuurder, kan pas aansprakelijk worden gehouden voor een belastingschuld van een ander als de oorspronkelijk belastingschuldige in gebreke is met betalen (art. 49, lid 1, IW 1990). Hiervan is sprake als de wettelijke betaaltermijn is verstreken en er geen uitstel van betaling meer loopt of een verzoek daartoe.

Als de oorspronkelijke belastingschuld alsnog wordt betaald, of als de schuld verjaart, moet ook de aansprakelijkstelling komen te vervallen. De aansprakelijkstelling is accessoir en volgt de belastingschuld (Kamerstukken II 2007-2008, 31 124, nr. 9, blz. 10). Een belastingschuld verjaart na 5 jaar (art. 4:104 Awb en art. 4:111 Awb), tenzij de verjaring tijdig, dus voor het verstrijken van de 5 jaarstermijn, wordt gestuit.

De ontvanger kan de verjaring stuiten  door een schriftelijke mededeling te sturen waarin hij zich het recht van betaling ondubbelzinnig voorhoudt (art. 27, lid 1, IW 1990). De verjaring moet worden gestuit bij de oorspronkelijk belastingschuldige. Als de oorspronkelijk belastingschuldige failliet is, kan de ontvanger de verjaring stuiten door de stuitingsbrief te richten aan de aansprakelijkgestelde (art. 27, lid 2, IW 1990).

Dat leidt er echter niet toe, dat, als een aansprakelijkgestelde uitstel van betaling heeft gevraagd voor het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld (art. 53, lid 2, AWR), de verjaring van de oorspronkelijke belastingschuld wordt gestuit. Artikel 27, lid 2, IW 1990 geeft de ontvanger slechts de mogelijkheid om de verjaringstermijn te stuiten bij de aansprakelijkgestelde, maar dat moet hij dan wel. De verjaringstermijn van de oorspronkelijke belastingschuld wordt dus niet verlengd met het verleende uitstel in de aansprakelijkstellingsprocedure.

De aansprakelijkstellingsschuld kan ook zelf verjaren. In dat geval komt de aansprakelijkstelling niet te vervallen, maar kan de schuld niet meer worden ingevorderd.

 Is de belastingschuld verjaard?

 De ontvanger heeft alleen uitstel verleend voor de aansprakelijkstellingsschuld. De belastingschuld kan in dat geval verjaren. Om dat te voorkomen heeft de ontvanger eerder terecht stuitingsbrieven gestuurd. Alleen de laatste brief van 1 mei 2023 was te laat. De belastingschuld is dus verjaard. De aansprakelijkstelling moet daarom komen te vervallen.

Praktijk

Artikel 49 IW 1990 bevat de formele bepalingen die van toepassing zijn op alle aansprakelijkstellingen. Als je met een aansprakelijkstelling te maken krijgt, is het van belang om na te gaan of aan de in deze bepaling neergelegde voorwaarden zijn nageleefd.

Aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

1)    De oorspronkelijk belastingschuldige moet in gebreke zijn met betalen.

Als er uitstel van betaling is verleend voor de belastingschuld of als er om betaling is gevraagd maar er is nog niet op dat verzoek beslist, is de belastingschuldige niet in gebreke. Een voorbeeld van een zaak waarin het misliep voor de ontvanger is de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 september 2019, nr. 16/03789, ECLI:NL:GHSHE:2019:3470. Belastingplichtige was als bestuurder aansprakelijk gesteld voor een omzetbelastingschuld van een inmiddels gefailleerde vennootschap. Echter, de curator had bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag. Hij had het bezwaar aangetekend verstuurd en nooit een reactie gehad. Er liep dus nog een verzoek om uitstel van betaling. De aansprakelijkstelling werd vernietigd. De ontvanger moest vervolgens alsnog uitspraak op bezwaar doen. Hij had de bestuurder eventueel opnieuw aansprakelijk kunnen stellen. Een tweede aansprakelijkstelling is namelijk mogelijk. Dat is in deze zaak niet gebeurd.

Als de belastingschuldige in gebreke is, kan een derde aansprakelijk worden gesteld. Wordt hierover geprocedeerd dan moet ontvanger voorkomen dat de oorspronkelijke belastingschuld verjaart door op tijd stuitingsbrieven te sturen. Een aansprakelijkstellingschuld verjaart minder snel omdat tijdens een procedure meestal uitstel van betaling wordt verleend.

2)    De beschikking aansprakelijkstelling moet bij aangetekende post bekend worden gemaakt (art. 49, lid 3, IW 1990). Als de beschikking niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, heeft het geen rechtsgevolgen.

3)    Omkering en verzwaring is in beginsel niet van toepassing in een aansprakelijkstellingsprocedure (art. 49, lid 5, AWR).

4)    De ontvanger moet de aansprakelijkgestelde informatie verstrekken over de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld (art. 49, lid 6, IW 1990). In de praktijk is dat nog weleens moeizaam. Een deel van de stukken moet bijvoorbeeld van de inspecteur komen als de onderliggende belastingaanslagen ook worden betwist. De ontvanger probeert zich daar nog wel eens achter te verschuilen, maar de Hoge Raad heeft daar geen boodschap aan, belastingplichtige heeft gewoon recht op de op de zaak betrekking hebbende stukken, ook als die van de inspecteur moeten komen (HR 26 juni 2020, nr. 19/00062, ECLI:NL:HR:2020:1107).

 5)    In een aansprakelijkstellingsprocedure kunnen naast de aansprakelijkstelling zelf ook de onderliggende belastingaanslagen als onderdeel van de aansprakelijkstellingsschuld worden betwist. De aansprakelijkgestelde heeft hiervoor in beginsel alle mogelijkheden die een belastingplichtige ook heeft. Art. 49, lid 7, IW 1990 brengt hier een beperking op aan. Als de feiten en omstandigheden al eerder door een rechter zijn beoordeeld dan kun je dat niet opnieuw aanvoeren. In de praktijk leidt dit niet snel tot problemen (zie bijvoorbeeld HR 2 december 2016, nr. 16/1532, ECLI:NL:HR:2016:2722)

Vorige
Vorige

Schuldoverneming door BV of eenmanszaak: Hoe werkt het?

Volgende
Volgende

Actualiteiten video’s december 2023