Wanneer wekt de inspecteur de indruk dat hij bewust een standpunt heeft ingenomen?

Deze vraag gaat een rol spelen bij het antwoord op de vraag of belastingplichtige mag vertrouwen op een uitlating die de inspecteur heeft gedaan. Het gaat er dan om welke indruk deze uitlating bij belastingplichtige heeft kunnen wekken. Met andere woorden ‘Mocht de belastingplichtige menen dat de inspecteur de aangelegenheid heeft beoordeeld en akkoord is met het standpunt van belastingplichtige?’.

Deze vraag speelde in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 augustus 2024, nr. 23/3184 en 23/3185, ECLI:NL:HR:2024:5460.

Rechtsregel Hoge Raad “Indruk bewuste standpuntbepaling”

Hoe moet dat worden beoordeeld? Welk uitgangspunt geldt hierbij? De Hoge Raad heeft hiervoor een rechtsregel geformuleerd. Deze rechtsregel kun je onder meer lezen in het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023, nr. 20/01589, ECLI:NL:HR:2023:26.  De Hoge Raad beslist in dat arrest dat bij een expliciete uitlating van de inspecteur, anders dan een toezegging, er meer nodig is dan de enkele omstandigheid dat de aangifte is gevolgd. Er moeten andere omstandigheden aanwezig zijn die bij belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling van de aanslag op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur berust. Bijvoorbeeld, er is over de aangelegenheid gecorrespondeerd, er is een bespreking geweest waarbij de aangelegenheid is besproken of belastingplichtige heeft informatie over de aangelegenheid naar de inspecteur gestuurd. Hierbij geldt steeds dat de inspecteur wel juist en volledig geïnformeerd moet zijn.

Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant

Casus

De casus is kort als volgt. Bij belastingplichtige is een boekenonderzoek gaande naar onder meer de aangiftes omzetbelasting 2019 en 2020. In zijn concept controlerapport vermeldt de inspecteur dat hij voornemens is over deze jaren omzetbelasting na te heffen. Belastingplichtige reageert op het conceptrapport en geeft aan het hiermee niet eens te zijn.

Daarna dient belastingplichtige suppleties in over de jaren 2019 en 2020. De suppleties strekken tot een teruggaaf van omzetbelasting. Amper een maand later worden de bij suppletie gevraagde teruggaven bij uitspraak op bezwaar toegewezen. De afhandeling heeft volgens de inspecteur automatisch plaatsgevonden. Belastingplichtige kan daaraan geen vertrouwen ontlenen. De inspecteur rondt vervolgens het boekenonderzoek verder af en legt een naheffingsaanslag op. 

Beslissing rechtbank

Kan de inspecteur naheffen? Of staat het vertrouwensbeginsel aan naheffing in de weg? De rechtbank beslist dat de inspecteur niet kan naheffen. 

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met het toewijzen van de verzoeken om teruggaaf (de suppleties) bij belastingplichtige de indruk kan hebben gewekt dat hij een bewust standpunt heeft ingenomen. 

De rechtbank vindt dat het naar belastingplichtige toe leek alsof er een inhoudelijke beoordeling had plaatsgevonden. Zo zijn de teruggaven bij uitspraak op bezwaar gedaan en bevat de uitspraak op bezwaar ook een cijfermatige uitwerking.

In de praktijk

Is deze uitspraak juist? Ik vraag het me af. Het roept bij mij vragen op. Waarom dient belastingplichtige suppleties omzetbelasting in als er over diezelfde jaren een boekenonderzoek gaande is, dat ook al bijna was afgerond?

De belastingplichtige heeft in de suppleties expliciet om de teruggaven verzocht, terwijl hij weet dat de inspecteur er anders over denkt. Met het indienen van de suppleties heeft hij de automatische afhandeling daarvan in gang gezet, die, naar ik opmaak uit de uitspraak, verder los staat van het boekenonderzoek. Heeft de inspecteur met de automatische afhandeling de indruk gewekt dat er een standpunt is ingenomen? Onder deze omstandigheden vraag ik me dat af.

Problemen door automatische afhandeling komen wel vaker voor in de praktijk en niet alleen bij de omzetbelasting. Moeten fouten door de automatische afdoening op het bordje van belastingplichtige terechtkomen? 

Belastingplichtige heeft in dit geval in ieder geval aan het langste eind getrokken.

Wanneer slaagt een beroep op het vertrouwensbeginsel?

Heeft de inspecteur een uitlating gedaan en wil je nagaan of het vertrouwensbeginsel misschien een rol speelt? Aan de hand van de volgende 3 stappen kun je dat beoordelen.

1) Wat voor uitlating heeft de inspecteur gedaan?

Stel eerst vast wat voor soort uitlatingen de inspecteur heeft gedaan.

Toezegging

De inspecteur doet een toezegging als hij duidelijk en concreet aangeeft hoe hij een bepaalde aangelegenheid fiscaal gaat behandelen. Toezeggingen vind je bijvoorbeeld in een controlerapport, een brief, maar ook een beschikking op aanvraag zoals de beschikking fiscale eenheid is een toezegging. De inspecteur is hieraan in beginsel gebonden. Toezeggingen kunnen ook mondeling worden gedaan.

Expliciete uitlating

Het enkel volgen van de aangifte is niet voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Er moet iets aan vooraf zijn gegaan, bijvoorbeeld belastingplichtige heeft informatie over de aangelegenheid verstrekt of er is over gecorrespondeerd. Als de inspecteur dan de aangifte volgt, ook als hij niet daadwerkelijk een standpunt heeft ingenomen, dan slaagt een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Het gaat om indruk die de gedraging(en) van de inspecteur bij belastingplichtige heeft kunnen wekken. 

Inlichting 

Het uitgangspunt bij inlichtingen, dus informatie van meer algemeen van aard, is dat de inspecteur daaraan niet is gebonden. Onder inlichtingen wordt bijvoorbeeld verstaan informatie op de website van de Belastingdienst en informatie verkregen via de belastingtelefoon. Er is een uitzondering hierop. Als de belastingplichtige op basis van de inlichting iets heeft gedaan of heeft nagelaten waardoor meer belasting moet worden betaald, kan de inlichting de inspecteur wel binden. Een voorbeeld hiervan is de belastingplichtige die naar aanleiding van informatie op de website van de belastingdienst een lijfrentepolis afkoopt. Belastingplichtige wordt vervolgens geconfronteerd met revisierente, terwijl op de website van de Belastingdienst juist was vermeld dat geen revisierente in rekening zou worden gebracht. Belastingplichtige heeft op basis van die inlichting zijn lijfrentepolis afgekocht. Zonder die inlichting had hij dat niet gedaan. In dat geval is de inlichting bindend en kan geen revisierente in rekening worden gebracht.

2) Was de inspecteur juist en volledig over de aangelegenheid geïnformeerd?

Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt alleen als de inspecteur volledig en juist is geïnformeerd over de aangelegenheid. 

In beginsel ligt de bal hiervoor bij belastingplichtige. Zeker bij een beschikking op aanvraag. Bij een boekenonderzoek is het de inspecteur die de informatie verzamelt en als hij de gevaagde informatie heeft gekregen dan is dat op zich voldoende.

3) Welk bewijs is er?

De bewijslast voor een geslaagd ligt bij belastingplichtige. Belastingplichtige moet de feiten en omstandigheden stellen, en bij betwisting door de inspecteur, bewijzen. Mondelinge toezeggingen zijn daardoor moeilijk te bewijzen als de inspecteur meent dat hij dat niet zo heeft gezegd. Daarom is het van belang altijd een schriftelijke vastlegging van gemaakte afspraken te vragen.

Vorige
Vorige

Leent een discussie over de navorderingsbevoegdheid zich voor een compromis?

Volgende
Volgende

Wat brengt Prinsjesdag op het gebied van het formele belastingrecht?