Wat brengt Prinsjesdag op het gebied van het formele belastingrecht?

In het Belastingplan 2025 en de Fiscale Verzamelwet 2025 geen grote systeemwijzigingen, wel een aantal aanpassingen. Hieronder vind je een kort overzicht.

Schuldonderzoek bij boetes

Het meest opvallend is misschien wel de bepaling die niet wordt ingevoerd. Het kabinet was voornemens om per 1 januari 2025 een afzonderlijke bepaling in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) op te nemen over schuldonderzoek.

Na op- en aanmerkingen van de Raad van State over de wetsbepaling wordt op dit moment van invoering afgezien. 

Volgens de Raad van State is het – kort gezegd- is onduidelijk:

1) Welke gegevens en inlichtingen onder welke bepaling vallen.

2) Hoe het wetsartikel waarborgt dat fishing expeditions niet mogelijk zijn.

3) Welke sancties van toepassing zijn en waarom.

Hoewel het kabinet vindt dat het voorgestelde wetsartikel slechts een explicitering betreft van een reeds bestaande bevoegdheid, ziet het op dit moment toch van invoering af. Het kabinet gaat naar aanleiding van het advies van de Raad van State de voorgestelde bepaling van een nadere toelichting voorzien. 

Ik vraag me af of de voorgestelde bepaling slechts een explicitering van een reeds bestaande bevoegdheid betreft. Zoals de Raad van State naar mijn mening terecht opmerkt, dient de informatieverplichting van artikel 47 AWR een heffingsbelang. De waarborgen die artikel 6 EVRM (fair trial) biedt, gelden niet bij het vragen van informatie. De waarborgen van artikel 6 EVRM gaan pas een rol spelen bij het opleggen van een boete. De vraag is dan of de via art. 47 AWR verkregen informatie mag worden gebruikt voor het opleggen van een boete? Die vraag is inmiddels beantwoord, -kort - verklaringen mogen niet worden gebruikt en documenten wel. Maar of je die uitgangspunten een op een kunt doortrekken naar een schuldonderzoek?

Bij het opleggen van een vergrijpboete moet de inspecteur niet alleen bewijzen dat te weinig belasting is geheven of is betaald, maar hij moet ook bewijzen dat de beboete ten aanzien daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt (opzet of grove schuld). Bij het opleggen van een boete aan een mededader (medeplegen, feitelijk leidinggeven etc) moet hij bovendien de rol/de betrokkenheid van de mededader bij het begaan van de beboetbare gedraging bewijzen.

De Belastingdienst kan op dit moment betrokkenen uitnodigen voor een verhoor, maar verder lijken de onderzoeksmogelijkheden beperkt. Ik kan mij voorstellen dat er binnen de Belastingdienst behoefte bestaat aan nadere onderzoeksmogelijkheden. Het lukt de Belastingdienst vaak wel om met behulp van art. 47 AWR te bewijzen dat te weinig belasting is geheven of is betaald, maar de onderbouwing van de opzet of grove schuld laat nog weleens te wensen over. Ook het bewijs van de rol van de mededader slaagt vaak niet.

Verlengde termijnen voor deelnemers boete

Mededaders krijgen geen belastingaanslag en dus kan een boete niet bij de belastingaanslag worden opgelegd. De boete wordt bij een afzonderlijke beschikking opgelegd. Welke termijnen gelden daarvoor?

Voor de termijnen waarbinnen aan een mededader een boete kan worden opgelegd, wordt volgens het kabinet zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande aanslagtermijnen (art. 67ob AWR).

De bepaling voorziet op dit moment echter niet in de mogelijkheid een boete op te leggen als de inspecteur gebruikmaakt van de verlengde navorderings- of naheffingstermijn.

De aanpassing van art. 67ob AWR maakt het straks mogelijk om ook een boete op te leggen aan mededaders als de inspecteur gebruik maakt van de 12 jaarstermijn.

Bij navordering geldt de 12 jaarstermijn als de inkomens- of vermogensbestanddelen in het buitenland zijn opgekomen of zijn aangehouden. Een voorbeeld hiervan is banktegoeden die worden aangehouden bij een bank in het buitenland.

Bij naheffing geldt de verlengde termijn in geval van een specifieke transactie met onroerende zaken. 

De bepaling treedt per 1 januari 2025 in werking en heeft directe werking maar geldt niet voor gevallen waarvan de termijn om een boete op te leggen al was verstreken. De termijn kan niet herleven.

Belastingrenteregeling

In artikel 30hb AWR is bepaald dat het percentage van de belastingrente bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Daaraan wordt toegevoegd dat het in rekening te brengen percentage kan verschillen van het te vergoeden percentage belastingrente.

Volgens de toelichting wordt de bepaling aangepast om deze op een lijn te brengen met de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 28 januari 2022, nr. 21/00331, ECLI:NL:HR:2022:89).

De wijziging dient er ook toe om in de toekomst flexibeler te kunnen zijn. Dat wordt als volgt toegelicht: 

“Als het op enig moment wenselijk blijkt om het percentage te vergoeden belasting te laten verschillen van het percentage in rekening te brengen belastingrente, kan dit via een aanpassing van de genoemde algemene maatregel van bestuur worden geregeld”.

Invorderingsrente

De aanpassing van de invorderingsrente regeling betreft volgens het kabinet een herstel van een omissie. Bij de aanpassing van de regeling in 2013 is abusievelijk de mogelijkheid uit de wet gehaald om rente in rekening te brengen als een belastingaanslag wordt verminderd door achterwaartse verliesverrekening. De belastingaanslag is in dat geval immers terecht opgelegd en is te laat betaald als deze door de achterwaartse verliesverrekening wordt voldaan. Het in rekening brengen van invorderingsrente is dan op zichzelf aan de orde, alleen de wet kent deze mogelijkheid niet meer. Met de voorgestelde wijziging wordt dit hersteld.

De wijziging zal naar verwachting per 1 januari 2027 in werking treden. 

Vorige
Vorige

Wanneer wekt de inspecteur de indruk dat hij bewust een standpunt heeft ingenomen?

Volgende
Volgende

Is het toestemmingsvereiste bij een medeplegers boete serieus vereiste?