Wat houdt de voortvarendheidseis bij navordering in?

Als een aanslag in de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting (aanslagbelasting) tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur onder voorwaarden (nieuw feit, kwade trouw of kenbare fout) navorderen.

De termijn hiervoor is 5 jaar na het einde van het jaar/tijdvak waarop de belasting ziet. De termijn wordt eventueel verlengd met het verleende uitstel voor het doen van aangifte. Is er sprake van een kenbare fout dan is de termijn 2 jaar na het vaststellen van de te lage belastingaanslag (dat kan ook een navorderingsaanslag zijn). Soms is de termijn 12 jaar. De termijn is 12 jaar als het inkomen of vermogen in het buitenland is opgekomen of aangehouden.

Mag de inspecteur altijd de 12-jaarstermijn volledig gebruiken?

In 2010 heeft de Hoge Raad de vraag beantwoord of de inspecteur ook de 12 jaarstermijn kan toepassen als hij al eerder wist, bijvoorbeeld binnen de 5 jaarstermijn, dat belastingplichtige banktegoeden aanhield in een land met een bankgeheim.

De Hoge Raad heeft ten aanzien daarvan beslist, dat als de Belastingdienst, binnen of buiten de 5-jaarstermijn, aanwijzingen heeft dat er bijvoorbeeld banktegoeden in het buitenland worden aangehouden, de navorderingstermijn mag worden verlengd met de termijn die is gemoeid met het verkrijgen van bepaalde informatie die van belang is voor het bepalen van de omvang van de belastingschuld. De inspecteur moet de belastingaanslagen met redelijke voortvarendheid voorbereiden en opleggen (HR 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092).

Wanneer is er sprake van voortvarend handelen?

Er is geen sprake van voortvarend handelen als er bij het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag een onverklaarbare vertraging van meer dan 6 maanden is opgetreden (HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717). Die zes maanden eis houdt in dat de navorderingsaanslag binnen 6 maanden na de datum van de laatst vastgestelde handeling op de voorgeschreven wijze (per post) bekend moet zijn gemaakt (HR 13 maart 2015, nr. 14/02992, ECLI:NL:HR:2015:555).

Bij de organisatie en de inrichting van de werkzaamheden heeft de Belastingdienst een beoordelingsvrijheid. Deze is echter niet onbegrensd. De werkzaamheden mogen niet op een zodanige wijze worden ingericht en worden georganiseerd dat een voortvarende behandeling niet is gewaarborgd. Dat betekent echter niet dat de Belastingdienst moet kiezen voor de meest efficiënte werkwijze (HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105).

Arrest Hoge Raad 1 november 2024

Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad een nieuwe regel aan de rechtspraak over de voortvarendheidseis toegevoegd (HR 1 november 2024, nr. 23/00324, ECLI:NL:HR:2024:1557). 

Casus

De casus is kort als volgt:

  • Belastingplichtige heeft op 4 juni 2014 een inkeerverzoek gedaan, waarbij hij melding maakt van in Luxemburg aangehouden banktegoeden. Deze tegoeden had hij niet eerder in de aangiftes vermeld. 

  • In de periode 29 oktober 2014 tot en met 26 april 2016 heeft de inspecteur diverse keren om informatie verzocht. Belastingplichtige heeft steeds op die verzoeken gereageerd en informatie verstrekt.

  • Uit de door belastingplichtige verstrekte informatie volgt dat er 3 bankrekeningen werden aangehouden bij de Luxemburgse bank. Een van die bankrekeningen stond op naam van een Panamese vennootschap. Deze vennootschap was op 29 oktober 2008 opgericht.

  • Op 16 juni 2016 heeft de inspecteur voor de laatste keer informatie gevraagd.

  • Op 12 september 2016 stuurde de inspecteur een mail aan een collega. Hij vraagt zich daarin af of de naar Panamees recht opgerichte vennootschap wel enige betekenis heeft of dat de vennootschap slechts is opgericht om het vermogen moeilijker traceerbaar te maken. De inspecteur is voornemens om ook dat vermogen rechtstreeks bij belastingplichtige in box 3 te belasten. Hij vraagt de collega naar zijn mening.

  • De mail heeft betrekking op de jaren vanaf 2009 aangezien de vennootschap in oktober 2008 is opgericht.

  • Op 24 november 2016 heeft de inspecteur belastingplichtige verzocht in te stemmen met verlenging van de navorderingstermijn voor de jaren 2001 tot en met 2003 omdat de termijn voor het opleggen van de navorderingsaanslag dreigt te verjaren.

  • De navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2010, 2012 en 2014 zijn opgelegd in de periode 23 december 2016 tot en met 2017. 

Beslissing Hoge Raad

Het verzoek aan belastingplichtige om in te stemmen met verlenging van de navorderingstermijn, is geen handeling die rechtstreeks is gericht op het voortvarend voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen. Het verzoek om verlenging van de navorderingstermijn dient, volgens de Hoge Raad, slechts om te voorkomen dat de toepasselijke navorderingsaanslag ongebruikt verstrijkt.

Het nader onderzoek of intern overleg had voorts geen betrekking op de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008, maar alleen voor de jaren daarna.

De Hoge Raad vernietigt de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008.

In de praktijk

Wanneer is de 12 jaarstermijn aan de orde

  • Het moet gaan om inkomen of vermogen dat in het buitenland is aangehouden of opgekomen. Het herkennen van vermogen dat in het buitenland wordt aangehouden, levert in de praktijk meestal niet zoveel problemen op, maar wanneer is er sprake van inkomen of vermogen dat in het buitenland is opgekomen? Die vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Noch de oorsprong van het inkomen, noch de plaats van de ontvangst is namelijk doorslaggevend. De omstandigheid dat een bedrag bijvoorbeeld op een buitenlandse bankrekening is betaald, leidt niet direct tot de conclusie dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. Of de verlengde navorderingstermijn in dat geval van toepassing is, hangt af van de overige feiten en omstandigheden. Uiteraard moet er wel sprake zijn van een buitenlandse component. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de buitenlandse component er onmiddellijk moet zijn en dat het inkomensbestanddeel door de wijze waarop het is betaald, buiten het zicht van de Belastingdienst is gebleven/gehouden.

  • Het gaat om oudere jaren waarvan de reguliere navorderingstermijn (bijna) is verstreken.

  • De voortvarendheidseis geldt niet voor vermogen dat is aangehouden buiten de EU, in zogenaamde derde landen.

  • De 12 jaarstermijn speelt, zoals in deze casus, geregeld een rol bij inkeer. Volledige inkeer is voor box 3 vanaf 1 januari 2018 niet meer mogelijk. Voor jaren voor 2018 kan nog wel worden ingekeerd. Vanaf 1 januari 2020 is ook geen inkeer meer mogelijk voor box 1. Dat betekent dat bij de (navordering)aanslagen een boete zal worden opgelegd. Omdat belastingplichtige zelf met de informatie komt, kan dat wel tot een lagere boete leiden.

Vorige
Vorige

Rechtbank schrapt 8% belastingrente: Houdt die uitspraak stand?

Volgende
Volgende

Is de ‘parkeerboete’ een boete?