Als een belastingprocedure niet vlekkeloos verloopt: twee recente arresten
Naast discussies over de hoogte van een belastingschuld kunnen ook procedurele kwesties spelen. De Hoge Raad wees recent twee arresten waarin procedurele fouten aan de orde waren: in de eerste zaak miste de belanghebbende een punt, in de tweede zaak zag de inspecteur iets over het hoofd. Hieronder lees je meer over deze uitspraken
Geen cassatie mogelijk over proceskostenvergoeding als dit niet eerder is aangevoerd
De Hoge Raad oordeelt dat een belanghebbende in cassatie niet meer kan klagen over de vergoeding van proceskosten in bezwaar als dit niet eerder in de procedure is aangevoerd.
In deze zaak had de inspecteur een kostenvergoeding toegekend, maar belanghebbende vond het bedrag te laag. Omdat zij dit punt niet bij de rechtbank of het hof had ingebracht, stond de beslissing van de inspecteur onherroepelijk vast. Het hof hoefde dit niet ambtshalve te onderzoeken. Het cassatieberoep is daarom ongegrond verklaard (HR 28 februari 2025, nr. 24/03289, ECLI:NL:HR:2025:337).
Inspecteur had bezwaar navorderingsaanslag ook als verzoek om ambtshalve vermindering moeten zien
Belanghebbende kreeg een aanslag en later een navorderingsaanslag IB/PVV 2015, waarbij verliesverrekening werd teruggenomen. In zijn bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag uitte hij ook bezwaren tegen de aanslag zelf. De inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de navorderingsaanslag niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, merkte het bezwaar aan als een verzoek om ambtshalve vermindering en wees deze vervolgens af. De inspecteur gaf daarnaast aan dat belanghebbende voor de aanslag een apart verzoek om ambtshalve vermindering kon indienen. Het hof oordeelde dat alleen het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag in hoger beroep beoordeeld kon worden.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof omdat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ook had moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en boete. Omdat de inspecteur op dat verzoek niet tijdig op heeft beslist, had de rechtbank moeten onderzoeken of belanghebbende beroep kon instellen tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek. De zaak wordt vervolgens verwezen (HR 7 maart 2025, nr. 23/03651, ECLI:NL:HR:2025:360).
In de praktijk
Proceskostenvergoeding
De uitkomst in deze zaak is voor de hand liggend. De Hoge Raad is geen feitenrechter. De Hoge Raad beoordeelt – kort gezegd- of het Hof het recht goed heeft toegepast. Als er niet over is geklaagd dan valt er niet zoveel te beoordelen. De Hoge Raad kan dan alleen beoordelen of het Hof de proceskostenvergoeding ambtshalve had moeten onderzoeken. De Hoge Raad heeft daar ook naar gekeken en beslist dat daar geen aanleiding voor was.
Had belanghebbende dit wel voor het eerst bij het Hof naar voren kunnen brengen? Ja dat had wel gekund. De rechtsstrijd wordt dan wel uitgebreid maar dat kan tenzij het in strijd is met de goede procesorde, maar dat zich niet snel voordoen.
Bezwaar ook verzoek om ambtshalve vermindering
De uitkomst in deze zaak klopt wat mij betreft ook. Snap ook niet zo goed waarom de inspecteur vond dat er een afzonderlijk verzoek ingediend moest worden. Hij had het verzoek eruit kunnen halen en afzonderlijk kunnen behandelen.
Vervolgens blijft het dus misgaan ook bij de rechtbank en het Hof. Waarom? Ik heb de uitspraken van de rechtbank en Hof niet volledig geanalyseerd. Zonder dossier blijft dat vaak toch onduidelijk.
Belanghebbende had dit punt in de loop van de procedure wellicht wat explicieter kunnen maken. Daar had hij zichzelf mee kunnen helpen. Nu de duurt de procedure nog langer, maar soms is dat ook een doel.