Moet inspecteur dossier andere belastingplichtigen raadplegen?

Hoever reikt de onderzoeksplicht van de inspecteur? Moet hij ook dossiers van andere belastingplichtigen of over andere belastingen raadplegen?

Nee, dat hoeft in beginsel niet maar de Hoge Raad is onlangs een beetje gaan schuiven.

Omvang onderzoeksplicht inspecteur

Als uitgangspunt geldt dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uit mag gaan van de juistheid van de aangifte. De inspecteur hoeft volgens de Hoge Raad in beginsel geen nader onderzoek te doen. Nader onderzoek komt pas aan de orde als hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van een daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Daarvan is geen sprake als de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte vermelde gegevens toch juist kunnen zijn (HR 18 maart 2022, nr. 20/01121, ECLI:NL:HR:2022:379).

Een voorbeeld van de ‘niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid’ vind je in het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2010 (HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165). In die zaak had de inspecteur slechts voor een deel van de afgetrokken lijfrentepremies een renseignement van een verzekeraar ontvangen. Als voor het ontbreken daarvan een niet onwaarschijnlijke verklaring is, dan hoeft de inspecteur niet aan de aftrekpost te twijfelen. Die verklaring was er volgens de Hoge Raad. Volgens de inspecteur was de renseignering van de aftrekbare lijfrentepremies in die periode verre van volledig. Belastingplichtige heeft die stelling niet weersproken, waardoor van de juistheid van die stelling van de Belastingdienst wordt uitgegaan. Uit de rechtspraak volgt  dat de onderzoeksplicht van de inspecteur beperkt is.

Raadplegen dossier andere belastingplichtigen

De inspecteur kan dan ook in beginsel volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier van belastingplichtige zelf. Hij is dus niet verplicht om dossiers van andere belastingplichtigen of over andere belastingen te raadplegen. Ook niet als die dossiers redelijkerwijs informatie zouden kunnen bevatten, die voor het vaststellen van de aanslag van belastingplichtige van belang zijn. De inspecteur hoeft alleen dossiers van andere belastingplichtigen of over andere belastingen te raadplegen, als het dossier van belastingplichtige zelf daartoe aanleiding geeft (HR 12 juni 2015, 14/4015, ECLI:NL:HR:2015:1515), HR 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249). Met andere woorden de inspecteur hoeft niet zelf actief binnen de Belastingdienst aanwezige informatie te verzamelen. Dat hoeft hij alleen te doen als het dossier van belastingplichtige zelf daartoe aanleiding geeft.

Casus arrest HR 27 oktober 2023

Op 6 juli 2007 verkopen ouders de boerderij met grond aan de kinderen waaronder belastingplichtige. De koopprijs is vastgesteld op basis van een taxatierapport. Ten behoeve van moeder wordt een pachtrecht gevestigd. Belastingplichtige blijft de koopsom schuldig. Een deel van de koopsom wordt verrekend met een vordering op de ouders. Het resterende deel wordt in 2010 afgelost.

In 2009 doet de inspecteur onderzoek naar de transacties in het kader van de belastingheffing bij moeder. Op 19 november 2009 vindt er een afrondend gesprek plaats. Er vindt geen correctie plaats op de waarde in verpachte staat van de cultuurgrond. Er wordt een compromis gesloten over de omvang van het te activeren pachtrecht en de afschrijvingstermijn. Er is tot slot geen sprake van een schenking door de ouders aan de kinderen.

Op 2 februari 2014 wordt vervolgens een groot deel van de grond aan het verpachte onttrokken. Op 31 december 2016 wordt de pacht beëindigd. Moeder heeft in 2016 het landbouwbedrijf volledig gestaakt.

 Belastingplichtige geeft de verpachte onroerende zaak ieder jaar aan in box 3, ook voor het jaar 2014. De aanslag 2014 is op 5 april 2016 conform de aangifte vastgesteld. Naar aanleiding van de staking van het landbouwbedrijf heeft de inspecteur onderzoek ingesteld voor de heffing van de inkomstenbelasting bij moeder.

In 2017 heeft de inspecteur onderzoek ingesteld naar de juistheid van de aangifte inkomstenbelasting 2014 van belastingplichtige. De inspecteur meent dat sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling en dat belastingheffing in box 1 had moeten plaatsvinden. De inspecteur legt een navorderingsaanslag over het jaar 2014 op.

Zie HR 27 oktober 2023, nr. 21/02394, ECLI:NL:HR:2023:1343, onder kopje “2 Uitgangspunten in cassatie".

Beslissing Hoge Raad

De Hoge Raad beslist dat er inderdaad sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Belastingheffing had inderdaad in box 1 moeten plaatsvinden.

De vraag is alleen of de inspecteur wel kan navorderen? Beschikt de inspecteur over een voor navordering vereist nieuw feit?

Wat zegt het Hof?

Het Hof oordeelt van niet. De inspecteur die de transactie in 2009 heeft beoordeeld, had die informatie hierover moeten doorsturen aan de inspecteur die de aangiftes van belastingplichtige behandelde. Had hij dat gedaan dan had de bevoegde inspecteur al veel eerder geweten dat de aangiftes van belastingplichtige niet juist waren. Er is sprake van een ambtelijk verzuim.

Wat beslist de Hoge Raad?

De Hoge Raad sluit zich aan bij het oordeel van het Hof. De Hoge Raad beslist in de eerste plaats dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag 2014 van belastingplichtige niet het dossier van moeder hoefde te raadplegen. Het dossier van belastingplichtige gaf daar geen aanleiding toe. Het is dus niet zo dat de inspecteur van belastingplichtige nader onderzoek had moeten doen. Het dossier van belastingplichtige is volgens de Hoge Raad onvolledig.

De Hoge Raad beslist dat onder bijzondere omstandigheden het dossier van belastingplichtige onvolledig moet worden geacht, omdat de bevoegde inspecteur van die andere belastingplichtige (in dit geval de inspecteur van moeder) heeft nagelaten het dossier van belastingplichtige aan te vullen. Die bijzondere omstandigheden doen zich volgens de Hoge Raad in dit geval voor. De bevoegde inspecteur die de transacties bij moeder had beoordeeld, had moeten begrijpen dat zijn bevindingen van belang zouden zijn voor de belastingheffing bij belastingplichtige. Hij had ervoor moeten zorgen dat het dossier van belastingplichtige met deze informatie zou worden aangevuld. Door dat niet te doen, is er, door het ontbreken van deze informatie in het dossier van belastingplichtige te weinig belasting geheven bij belastingplichtige. Die omstandigheid wordt aangemerkt als een ambtelijk verzuim. Dat geldt ook als de inspecteur van belastingplichtige een ander is dan de bevoegde inspecteur van de andere belastingplichtige (moeder).

De inspecteur beschikt in dit geval dus niet over een nieuw feit. De Hoge Raad komt hiermee deels terug op zijn arrest van 29 augustus 1997, nr. 32.367, ECLI:NL:HR:1997:AA2235. In dat arrest had de Hoge Raad – kort gezegd- beslist dat de kennis over een belastingplichtige binnen de ene eenheid niet kon worden toegerekend aan de inspecteur de aanslag van belastingplichtige regelde.

In zijn arrest van een week later, van 3 november 2023 herhaalt de Hoge Raad de op 27 oktober 2023 geformuleerde rechtsregel nog eens: “(…)

Anders dan middelonderdeel 1.a betoogt, bestaat voor de heffing van erfbelasting in zoverre geen ruimere onderzoeksplicht dan voor de heffing van inkomstenbelasting. Opmerking verdient dat hier ook niet aan de orde is dat een wettelijke regeling meebrengt dat (een geheel van) rechtshandelingen, verricht door tot een specifiek afgebakende, beperkte groep van verwanten behorende belastingplichtigen, rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de belastingplicht van tot die groep behorende en bij die rechtshandelingen betrokken verwanten, zodat de inspecteur die deze rechtshandelingen ten aanzien van één van hen heeft onderzocht, gehouden is de resultaten van dat onderzoek te doen opnemen in de (digitale) dossiers van die verwanten. (…)”. 

In die zaak besliste de Hoge Raad dat deze bijzondere situatie zich niet voordeed (HR 3 november 2023, nr.  22/03636, ECLI:NL:HR:2023:1508)

Wat kun je ermee?

De door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregel is een uitzondering. Na het lezen van het arrest van 27 oktober 2023 vroeg ik mij af of deze uitzondering zich beperkt tot rechtshandelingen door/tussen verwanten. In dat arrest las ik dat dit een rol speelt, maar het werd mij niet direct duidelijk of de uitzondering ook zich daar ook toe beperkt.

Als ik het arrest van 3 november 2023 goed lees dan lijkt dat wel het geval. In zijn arrest van 3 november 2023 wordt de uitzondering meer algemeen geformuleerd, maar in dat arrest ging het ook om verwanten dus helemaal zeker ben ik er dus niet van.

Verder valt op dat deze rechtsregel niet valt in de categorie makkelijk leesbaar, dat maakt de interpretatie en de beoordeling van de reikwijdte daarvan, naar mijn mening, ook moeilijker.

Het is de vraag in hoeverre deze uitzondering in de praktijk een rol gaat spelen. Dat is moeilijk te voorspellen en zal steeds ook afhangen van de concrete casus, maar het komt wel regelmatig voor dat rechtshandelingen door en tussen verwanten de belastingheffing van die hele groep of deel daarvan raakt. Als de inspecteur wil navorderen dan kan het zinvol zijn om na te gaan wat er bij de andere belastingplichtigen is gebeurd en welke informatie er over die transacties is gedeeld.

Meer weten?

Wil je weten hoe ik hier in mijn praktijk mee omga? Iedere vrijdag deel ik dat per mail in een wekelijkse update. Vind je het leuk om deze updates te ontvangen? Meld je dan aan via deze link.

Meer over de verplichtingen die ondernemers hebben vind je ook in mijn boek ‘Winnen van de belastingdienst? Doe je zo!’. Meer weten over het boek klik dan op de link Winnen van de belastingdienst.

Vorige
Vorige

Valse factuur is niet altijd valsheid in geschrifte

Volgende
Volgende

Geen opzet als een aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet is aangegeven