Vergrijpboete wegens medeplichtigheid houdt stand
De rechtbank Noord-Holland oordeelde over een vergrijpboete opgelegd aan de derde wegens medeplichtigheid (Rb Noord-Holland, nr. 22/1686, ECLI:NL:RBNHO:2025:5600). Een boete die we nog niet veel hebben gezien in de rechtspraak, terwijl een boete wegens medeplichtigheid toch al meer dan 10 jaar mogelijk is. Ik vind het daarom interessant om aandacht aan te besteden.
Omdat de feitelijke situatie een belangrijke rol speelt bij de onderbouwing en de beoordeling van de boete wordt de casus en de beoordelingen van de rechtban weergegeven.
Wat is er aan de hand?
Belanghebbende is middellijk bestuurder van de BV.
Wat doet de BV?
De BV verleent fiscale en fiscale vertegenwoordigersdiensten aan bedrijven buiten de Europese Unie. Ze treedt op als fiscaal vertegenwoordiger van negen Chinese ondernemingen die goederen leveren aan afnemers in EU-lidstaten via webwinkels en platforms.
De BV verzorgt de invoer van goederen in Nederland voor deze ondernemingen en draagt vervolgens zorg voor de doorlevering naar andere lidstaten binnen de EU.
De BV beschikt over een logistiek centrum waar de ingevoerde goederen aankomen en van waaruit ze verder worden vervoerd.
De BV heeft namens de Chinese ondernemers BTW-aangiftes naar het nul-tarief ingediend. Er is volgens de BV sprake van communautaire leveringen.
Naheffingsaanslagen opgelegd aan Chinese ondernemers
De Belastingdienst heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de leveringen en het naleven van de verplichtingen in de landen waar werd geleverd. De conclusie is -kort en bondig- dat de Chinese ondernemers geen aangiftes hebben gedaan van communautaire verwervingen in deze landen.
Aan de Chinese ondernemingen zijn naheffingsaanslagen en boetes opgelegd omdat ten onrechte het nul-tarief OB is toegepast. Chinese ondernemingen maakten geen bezwaar tegen de naheffingsaanslagen.
Voor toepassing van het btw-nultarief moet aan materiële voorwaarden zijn voldaan (zoals daadwerkelijke overbrenging naar een andere EU-lidstaat). Die voorwaarden zijn hier aanwezig, maar er is geen btw-aangifte gedaan voor verwervingen in andere landen.
De rechtbank oordeelt dat dit geen vergissing was, maar opzet of grove schuld: dus sprake van fraude. Omdat de Chinese bedrijven zelf de goederen overbrachten, moesten zij aangifte doen; dat deden ze niet.
Het nultarief is daarom terecht geweigerd. Dat de verwervingen in andere lidstaten hadden moeten plaatsvinden, sluit naheffing door Nederland niet uit. Naheffing is gerechtvaardigd omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van het nultarief bij intracommunautaire leveringen.
Voorwaardelijk opzet Chinese ondernemers
De Chinese ondernemers hebben volmacht verstrekt aan de BV voor btw-gerelateerde verplichtingen.
Zij beschikten over een Brits btw-identificatienummer en waren volgens de rechtsbank bekend met de btw-regelgeving bij intracommunautaire verwervingen. Zij hebben geen aangiften ingediend, terwijl zij daartoe wel verplicht waren.
De rechtbank oordeelt dat zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de voorwaarden voor het nultarief niet werden nageleefd. Er sprake van voorwaardelijk opzet aan de zijde van de Chinese ondernemers.
Voorwaardelijk opzet BV
De BV heeft namens de Chinese ondernemers onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend.
De BV was ermee bekend dat het overgrote deel van de zendingen niet naar het VK zou gaan, ondanks dat in de aangiften werd gedaan alsof dat wel het geval was.
De rechtbank gaat er voorts vanuit dat de BV ermee bekend was dat de Chinese ondernemers in de bestemmingslidstaten veelal niet btw-geregistreerd waren en geen verwervingsaangiften indienden. Er is geen aanknopingspunt waaruit volgt dat de BV mocht menen dat dit wel het geval was.
De BV is ook meermalen door de Nederlandse Belastingdienst gewaarschuwd voor mogelijke betrokkenheid bij fraude. Desondanks heeft de BV aangiften ingediend waarin zij de leveringen onjuist kwalificeerde en het nultarief toepaste.
De rechtbank stelt vast dat de BV daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij meewerkte aan onjuiste aangiften. Er is sprake van voorwaardelijk opzet. Zij heeft dat gefaciliteerd en daarmee is sprake van medeplichtigheid aan de door de Chinese ondernemers gepleegde btw-fraude.
Vergrijpboete opgelegd aan belanghebbende wegens medeplichtigheid
Belanghebbende is middellijk bestuurder van de BV. Uit het controlerapport blijkt dat belanghebbende zelf ICP- en btw-aangiften over de aan de orde zijnde periode heeft gedaan. De boete wegens medeplichtigheid is daarom terecht aan eiser opgelegd. Het maakt volgens de rechtbank niet uit dat in het voornemen wordt gesproken over feitelijk leidinggeven, want in de boetebeschikking is toepassing gegeven aan art. 67o, derde lid, AWR (hoogte boete medeplichtigheid).
De rechtbank stapt wel heel makkelijk heen over het feit dat in het voornemen over feitelijk leidinggeven wordt gesproken en vervolgens een boete wegens medeplichtigheid wordt opgelegd. Ik zie daar mogelijk wel een probleem. Belanghebbende moet weten waarom hij een boete krijgt. Welke rol hij daarin heeft vervuld lijkt mij van belang. Zijn de gronden wel juist en tijdig medegedeeld. Hoe de inspecteur de rol van belanghebbende inhoudelijk heeft onderbouwd, wordt niet weergegeven in de uitspraak. Het kan zijn dat het materieel wel klopt.
Twee keer voor hetzelfde feit
Belanghebbende stelde dat er sprake is van twee vergrijpboetes voor hetzelfde feit. De rechtbank is hier snel klaar mee. Volgens de rechtbank is er geen sprake van 2x beboeting van hetzelfde feit. Meerdere personen/entiteiten kunnen beboetbate gedragingen verrichten ten aanzien van hetzelfde feitencomplex. Dat lijkt me juist.
In de praktijk
Sinds 1 januari 2014 kan ook aan medeplichtigen een vergrijpboete worden opgelegd. Lang bleef het stil maar de Belastingdienst zet de mogelijkheid inmiddels dus wel in.
Als ik deze uitspraak lees, vraag ik me af of de inspecteur de gronden wel juist heeft medegedeeld. De inspecteur kondigt een boete aan wegens feitelijk leidinggeven en legt vervolgens een boete wegens medeplichtigheid op.
Mededeling gronden
De rechtbank stapt daar heel makkelijk overheen, terwijl het belangrijk is dat belanghebbende weet waarom hij een boete krijgt. De inspecteur moet uiterlijk bij de boeteoplegging de gronden meedelen. Ik kan mij voorstellen dat ook de rol die belanghebbende daarbij heeft vervuld daar onderdeel van is. Als de gronden niet tijdig zijn medegedeeld moet de boete worden vernietigd (zie HR 7 mei 2021, nr. 19/03492, ECLI:NL:HR:2021:704). Het kan zijn dat de gronden inhoudelijk wel kloppen maar dat alleen de kwalificatie ‘feitelijk leidinggeven’ niet klopt. In dat geval zal de Hoge Raad daar overheen kunnen stappen. Over de tijdigheid van de mededeling van de gronden zegt de rechtbank niks. Volgens de rechtbank klopt de hoogte van de boete wel, maar daarmee zijn de gronden niet medegedeeld.
Medeplichtig
De medeplichtige vergemakkelijkt of bevordert het begaan van een overtreding door een ander (zie voor definitie bijvoorbeeld HR 22 maart 2011, nr. 09/00908, ECLI:NL:HR:2011:BO2629 (straf)). De medeplichtige heeft een meer ondergeschikte rol en is een hulpfiguur.
De medeplichtige krijgt voor zijn rol in het begaan van beboetbare feit een lagere boete dan de medepleger. De hoogte van de boete bedraagt maximaal 2/3 van het wettelijk maximum. Par. 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) vermeldt dat de in het BBBB vermelde standaardpercentages voor vergrijpboetes met 1/3 zullen worden verminderd als sprake is van medeplichtigheid. Een mededader kan alleen als medeplichtige worden aangemerkt als er een vergrijp is begaan (art. 67o AWR).
Ik kan mij zo voorstellen dat in de onderhavige casus een boete wegens feitelijk leidinggeven of medeplegen meer voor de hand had gelegen, maar misschien twijfelde de inspecteur of hij aan de bewijslast kon voldoen. Voor het bewijs voor de overtreding zelf moet de inspecteur aan de verzwaarde bewijslast voldoen, maar of dat ook voor het bewijs van de rol van de derde geldt? De Hoge Raad heeft zich hierover nog niet uitgelaten.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank heeft de boete tot slot verminderd van €90.000 naar €72.000 in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De behandeling door de inspecteur en rechtbank samen heeft te lang geduurd (meer dan 2 jaar). De boete wordt daarom verminderd met 20%.
Conclusie
Heeft hoger beroep zin in deze zaak? Zonder dossier is dat natuurlijk lastig in te schatten. Op basis van de uitspraak van de rechtbank zie ik voornamelijk een argument in de mededeling van de gronden.