Kun je de verdeling van gezamenlijke inkomensbestanddelen bij navordering nog volledig wijzigen?

Volgens art. 2.17, lid 4, Wet IB 2001 kunnen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag of navorderingsaanslag van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan. Hoe moet deze bepaling worden uitgelegd?

 Kennisgroepstandpunten Belastingdienst

De Belastingdienst heeft op 6 juni 2023 een drietal standpunten hierover gepubliceerd (KG:202:2023:18,-19,-20). Kort en bondig komt het standpunt van de Belastingdienst erop neer dat bij gemeenschappelijke bestanddelen, zoals de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, fiscale partners bij navordering een verdeling mogen kiezen, voor zover het gemeenschappelijke bestanddeel niet al is opgenomen in onherroepelijk vaststaande aanslagen.

Met andere woorden, de verdeling van gemeenschappelijke bestanddelen die al eerder in de heffing zijn betrokken en waarvan de (navorderings)aanslagen inmiddels onherroepelijk vaststaan, kan niet meer worden gewijzigd. De keuzevrijheid ziet volgens de Belastingdienst alleen op gemeenschappelijk inkomen dat nog niet was verdeeld.

Parlementaire toelichting

De Belastingdienst wijst daarbij op de toelichting bij de wijziging van artikel 2.17 Wet IB 2001 in de Fiscale onderhoudswet 2004 (Kamerstukken II 2003/04,  29 678, nr. 3, p. 5-6):

“(…)

De mogelijkheid om alsnog een onderlinge verhouding te kiezen, geldt overigens alleen voorzover een inkomens- of vermogensbestanddeel nog niet eerder is opgenomen in een (navorderings)aanslag die inmiddels onherroepelijk vaststaat. Op in het verleden tot stand gekomen onderlinge verhoudingen kan aldus niet meer worden teruggekomen; zie het besluit van 5 augustus 2003, nr. CPP2003/1830M. Uitgangspunt blijft derhalve dat op eenmaal verdeelde bestanddelen na het onherroepelijk worden van de aanslag niet meer wordt teruggekomen.” (Kamerstukken II 2003/04,  29 678, nr. 3, p. 5-6)

 Uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2024

 In de uitspraak van 13 februari 2024 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden zich uitgelaten over art. 2.17, lid 4, Wet IB 2001 en het moment waarop de verdeling van het gezamenlijk inkomen nog kan worden gewijzigd (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2024, 21/408, ECLI:NL:GHARL:2024:1090).

Casus

Belastingplichtige en de echtgenoot waren in 2018 fiscale partners. Zij hebben in hun aangiften IB/PVV 2018 met betrekking tot de belastbare inkomsten uit eigen woning gekozen voor een verhouding 26,65% voor belastingplichtige en 73,35% voor de echtgenoot. Bij het opleggen van de primitieve aanslagen IB/PVV 2018 in december 2019 heeft de inspecteur die keuze gevolgd.

In juni 2020 hebben belastingplichtige en de (inmiddels erven van de) echtgenoot een herziene aangifte ingediend. In de herziene aangifte is naast het bedrag van het inkomen ook de verdeling daarvan gewijzigd.  Ze willen de eerder gemaakte verdeling wijzigen in 57,62% voor belastingplichtige en 42,38% voor de (erven van de) echtgenoot. Volgens de inspecteur is het wijzigen van de verdeling niet toegestaan omdat de primitieve aanslagen IB/PVV 2018 onherroepelijk vaststaan. Ter onderbouwing van het standpunt wijst de inspecteur op de parlementaire toelichting bij de Fiscale Onderhoudswet 2004.

Beslissing van het Hof

Het Hof is het met de inspecteur eens dat op basis van deze wetsgeschiedenis en de daarbij behorende wettekst het belastingplichtige en de erven van de echtgenoot niet zou zijn toegestaan om de eerder gekozen verdeling te wijzigen, maar het Hof wijst er vervolgens op dat artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 per 1 januari 2009 is gewijzigd. De passage waarin was opgenomen dat verdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen niet kon worden gewijzigd als deze al in onherroepelijke (navorderings)aanslagen waren begrepen, is per 1 januari 2009 komen te vervallen. Daarmee heeft, volgens het Hof, de toelichting bij de fiscale onderhoudswet 2004 haar belang verloren.

Een belastingplichtige en zijn partner zijn naar het oordeel van het Hof dan ook gerechtigd een eerder door hen gekozen verdeling te wijzigen tot het moment waarop zowel de (navorderings)aanslag van de belastingplichtige als de (navorderings)aanslag van de partner onherroepelijk vaststaat. Het Hof merkt hierbij op dat wanneer een wijziging van de verdeling ertoe leidt dat de verschuldigde belasting bij één van de fiscale partners meer bedraagt dan het bedrag dat tot dan toe is geheven, het meerdere ook na het verstrijken van vijf jaren op de voet van artikel 16, lid 3, AWR kan worden nagevorderd.

In de praktijk

De uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden staat niet op zichzelf. Het Hof Den Haag had dit op 7 juni 2023 ook al beslist (Hof Den Haag 7 juni 2023, 22/00422 en 22/00423, ECLI:NL:GHDHA:2023:1082). De Hoge Raad heeft zich hierover nog niet uitgelaten, maar het is zeker niet uit te sluiten dat de Hoge Raad in dezelfde lijn beslist. De wettekst is immers per 1 januari 2009 gewijzigd. De passage waarin was opgenomen dat de verdeling van de inkomensbestanddelen niet kon worden gewijzigd als deze al in onherroepelijke (navorderings)aanslagen waren betrokken, is komen te vervallen. Waarom de Belastingdienst ondanks de wetswijziging, is blijven vasthouden aan de toelichting op de Fiscale Onderhoudswet 2004, wordt niet duidelijk. Misschien vindt de Belastingdienst dat met de wetswijziging geen materiele wijziging is beoogd?

De Belastingdienst heeft in de uitspraken van de hoven geen aanleiding gezien om de kennisgroepstandpunten aan te passen. Mogelijk wordt een definitief oordeel van de Hoge Raad afgewacht. Het zou mooi zijn als bij kennisgroepstandpunten ook de ontwikkelingen worden vermeld. Dan heb je de volledige stand van zaken. Bovendien laat dat ook zien dat het (nog maar) een standpunt is, dat nog kan wijzigen.

 Mocht je hiermee in de praktijk te maken krijgen dan kun je een beroep doen op de uitspraken van de hoven en de aangelegenheid eventueel stil laten leggen tot de Hoge Raad heeft beslist.

 

 

Vorige
Vorige

Mogen onder dwang verkregen documenten worden gebruikt voor een boete?

Volgende
Volgende

Wat brengt het wetsvoorstel ‘Wet versterking waarborgfunctie Awb’?